“Gezond? Niet volgens het systeem. Waarom herstel onzichtbaar blijf in beleid”.

Herstel is geen onderdeel van het systeem
In Nederland zijn er 9 miljoen mensen met een chronische aandoening. Dat is meer dan de helft van de volwassen bevolking. Als we het systeem volgen — en de gezondheidsdefinitie van de Wereldgezondheidsorganisatie als uitgangspunt nemen — dan betekent dat: deze mensen zijn officieel niet gezond. En daarmee, impliciet, ook niet meer volledig functioneel.

Want wie eenmaal gelabeld is, draagt volgens dat systeem een permanent defect. Herstel komt niet in beeld. In de statistieken van het RIVM bestaat herstel eenvoudigweg niet. En wie gezond zijn of zich herpakt hebben, verdwijnen uit de beleidslogica.

Maar 9 miljoen mensen die disfunctioneel zijn? Dat is absurd. En dat is het ook. Want tegenover die 9 miljoen staan slechts 1 miljoen mensen die daadwerkelijk arbeidsongeschikt zijn. Wat zegt dat over die andere 8 miljoen?

Wie zijn zij? Wat dragen zij bij? En waarom zien we hen niet als bron van kennis, perspectief of herstel — maar als risico of afwijking?

Wat we niet meten, bestaat niet
Toen ik hierover contact opnam met het RIVM, vroeg ik of er cijfers zijn over mensen die hersteld zijn — die ooit een label kregen, maar inmiddels weer functioneren zonder hulp of belemmering. Het antwoord: nee, die cijfers zijn er niet. Herstel wordt niet gemeten. De vervolgvraag die ik kreeg was terecht: “Hoe definieer je herstel?”

Maar dat is precies de reden waarom we die vraag juist wél moeten stellen. Want als je herstel niet definieert, dan kun je het ook niet herkennen, niet waarderen, en al helemaal niet erkennen. Het gevolg is dat iedereen met een aandoening statistisch gezien permanent beperkt blijft — ook als hij of zij inmiddels volledig meedraait in de samenleving.

Neem Stephen Hawking. Volgens elke functioneringsnorm was hij zwaar beperkt. Toch was zijn maatschappelijke bijdrage zó groot, dat je zou kunnen stellen dat 99,99% van de bevolking minder functioneert dan hij. Wat zegt dat over ons idee van ‘beperking’? Wat zegt dat over onze criteria voor herstel?

Het systeem ziet alleen wie hulp vraagt
Het beleid — en daarmee de data waarop beleid is gebaseerd — richt zich primair op mensen die zorg nodig hebben, ondersteuning vragen of in problemen zijn gekomen. Dat is logisch vanuit zorglogica, maar funest als het gaat om het zicht op het geheel.

Van de 9 miljoen mensen met een aandoening voelt volgens het RIVM slechts 15% zich ernstig beperkt of ongezond. De overige 85% leeft met een aandoening, maar doet mee, werkt, voedt kinderen op, bouwt aan relaties en neemt verantwoordelijkheid. Toch is juist die groep onzichtbaar voor beleidsvorming, financiering en systeeminrichting.

Het systeem ziet de uitzondering — niet de norm. En het maakt beleid op basis van uitval, niet op basis van adaptatie, aanpassing of persoonlijke groei. Het gevolg is dat we investeren in afhankelijkheid, maar niets leren van functioneren.

Een samenleving die herstel niet benoemt
Omdat herstel niet meetelt, bestaat het ook niet als maatschappelijke categorie. Dat heeft gevolgen. Niet alleen in beleid, maar ook in hoe mensen zichzelf gaan zien — en in hoe ze worden behandeld.

Wie eenmaal gelabeld is, komt in een taalveld terecht van beperkingen, risico’s en richtlijnen. Zelfs als je weer volledig functioneert, blijft het etiket zwaarder wegen dan je gedrag. Het gevolg is dat mensen met diploma’s, werkervaring en veerkracht alsnog worden gezien als kwetsbaar of zorgmijder — puur omdat ze ooit een diagnose hebben gekregen.

Dat staat haaks op de principes van ‘positieve gezondheid’ — een denkkader dat inmiddels breed omarmd wordt door gemeenten en zorgorganisaties. Ook daarin wordt functioneren, betekenisgeving en autonomie centraal gesteld. Maar in de uitvoering van beleid zien we dat het model nog steeds vertrekt vanuit kwetsbaarheid en beperking. Herstel wordt niet erkend — het wordt geïnterpreteerd als ‘onderdrukking van symptomen’ in plaats van als maatschappelijke reorganisatie.

Tijd voor een andere bril
Wat zou er gebeuren als we het perspectief van positieve gezondheid consequent doortrekken? Als we niet langer gezondheid definiëren als het ontbreken van defecten, maar als het vermogen tot aanpassing, zingeving en maatschappelijke participatie — met of zonder aandoening?

Dan zouden we niet alleen beleid maken voor mensen die uitvallen, maar ook leren van mensen die zich aanpassen en doorgaan. Dan zouden we niet vragen naar beperkingen, maar naar draagkracht en betekenis. En dan zouden we misschien ook inzien dat de huidige gezondheidsdefinitie — hoe breed geformuleerd ook — in praktijk leidt tot structurele uitsluiting.

Labels zijn handig voor wetenschappers en uitvoerders. Maar voor burgers betekenen ze vaak een schijnerkenning: een bevestiging dat je ‘iets hebt’, én het impliciete verbod om ooit weer als volwaardig mee te doen. Zo beroof je mensen van hun eigen verhaal, hun potentieel en hun maatschappelijke positie.

Herstel begint met gezien worden
Het is tijd om onze indicatoren te herzien. Om beleid te maken dat ruimte biedt aan herstel, ontwikkeling en maatschappelijke terugkeer — ook als daar geen zorg aan te pas komt. Want zolang we alleen registreren wie hulp nodig heeft, missen we wie anderen zouden kunnen inspireren.

Positieve gezondheid zonder ruimte voor herstel is een halve stap. Herstel begint niet in een behandelkamer. Het begint met gezien worden — niet als uitzondering, maar als mogelijkheid.